Begrippenlijst

Binnen onze branche hebben we met veel diverse begrippen, methodes en organisaties te maken. In onderstaande begrippenlijst kunt u de meest voorkomende begrippen, inclusief uitleg, op alfabetische volgorde vinden.  

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

De Building Circularity Index (BCI) is een wetenschappelijk onderbouwde en in de praktijk beproefde meetmethodiek om de circulaire potentie van een bouwwerk te bepalen. De BCI bestaat uit twee Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s). Deze KPI’s zijn materiaalgebruik en losmaakbaarheid.

BENG staat voor Bijna EnergieNeutraal Gebouw. Sinds 2020 moet nieuwbouw aan de minimale BENG-eisen voldoen.
Binnen de BENG-indicatoren wordt onderscheidt gemaakt tussen 3 indicatoren:

  • Maximale energiebehoefte per jaar in kWh/m² GO;
  • Maximaal primair energiegebruik per jaar in kWh/m² GO;
  • Minimaal aandeel hernieuwbare energie van het totale primaire energiegebruik in %.

Bouwen met biobased bouwmaterialen en/of toepassen van biobased producten die geheel of gedeeltelijk voortkomen uit biomassa. Biomassa is materiaal van biologische oorsprong, uitgezonderd materiaal ingebed in geologische formaties en materiaal omgezet in fossiel materiaal.

Cyclus waarin biologische voedingsstoffen worden teruggebracht in de biosfeer, op zo’n manier dat natuurlijk kapitaal wordt hersteld en het regenereren van biotische grondstoffen mogelijk wordt.

In de nieuwste versie van de Europese norm EN 15804+A2 is ‘klimaatverandering – biogeen’ (GWP-biogeen) een aparte milieu-impactcategorie geworden. De hoeveelheid koolstof (opgenomen als CO2) in biomassaproducten zoals hout (behalve hout uit oerbossen) wordt in beeld gebracht bij de milieu-impact categorie GWP-biogeen.

Grondstoffen die worden gewonnen uit levende bronnen, oftewel van plantaardige of dierlijke oorsprong (inclusief algen en bacteriën), en die daarmee (mogelijk) hernieuwbare grondstoffen zijn. 

Building Research Establishment Environmental Assessment Method (BREEAM) is een beoordelingsmethode om de milieubelasting van gebouwen te bepalen. Op basis van een standaard voor een duurzaam gebouw geeft het aan welk prestatieniveau een gebouw heeft en wordt gebruikt om gebouwen te analyseren en te verbeteren, zowel voor het ontwerpen van nieuwe gebouwen als het beoordelen van bestaande gebouwen. BREEAM maakt gebruik van een kwalitatieve weging; als totaalscore krijgt een gebouw een waardering als pass, good, very good of excellent.

Bouw- en Sloopafval (BSA) betreft bouw- en verpakkingsmaterialen die overblijven bij het bouwen of vrijkomen bij het slopen. Sinds het stortverbod van Bouw- en Sloopafval in Nederland zijn deze materialen in feite geen ‘afval’ meer, maar ‘grondstof voor materiaalrecycling’.

Cradle to cradle is een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor duurzaam bouwen. Het betekent letterlijk “Van wieg tot wieg”. Bij Cradle to Cradle wordt uitgegaan van het hergebruik van materialen zonder kwaliteitsverlies of restproducten. Deze vorm van ‘recycling’ wordt ook wel ‘upcycling’ genoemd, waarbij afval van het gebruikte product de grondstof voor een nieuw product vormt. Een belangrijk onderliggend principe is dat C2C niet alleen de negatieve voetafdruk wil beperken, maar ook een positief effect wil realiseren.

Het gebruiken van (een deel van) een product voor een andere toepassing wanneer het niet langer in staat is om de initiële functie te vervullen.

Cascaderen vindt plaats in de technische kringloop. Dat is een cyclus waarin producten, onderdelen en materialen worden hersteld om weer als nieuwe producten, onderdelen en materialen te kunnen worden gebruikt.

Cat 1 data (NMD)

Categorie 1-data: getoetste, merkspecifieke data, die eigendom is van de producent.

Cat 2 data (NMD)

Categorie 2-data: getoetste, sectorgebonden data, die (vaak) eigendom is van de branche.

Cat 3 data (NMD)

Categorie 3-data: ongetoetste, generieke data, opgesteld door LCA-experts.

Zijn er geen categorie 1 of 2 kaarten, dan moet je terugvallen op categorie 3 kaarten. De categorie 3 kaarten kennen een toeslag van 30%. Een soort veiligheidsmarge-penalty.

Een platform dat bijdraagt aan de transitie naar een circulaire bouwsector door te richten op het opstellen van nationale, bouwsectorbrede afspraken. Het platform is gericht op actie, versnelling en opschaling met een zo breed en relevant mogelijk draagvlak uit de sector.

Het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) moet een gelijk speelveld creëren voor Europese producenten die te maken hebben met Europese CO2-prijzen. Het legt een heffing op de invoer van producten die vallen onder het zogeheten Europese Emissiehandelssysteem (EU ETS), te beginnen met elektriciteit, cement, aluminium, mest, ijzer- en staalproducten.

De hoogte van de invoerrechten weerspiegelt de EU-ETS- CO2-prijs en wordt gecorrigeerd voor eventuele CO2-prijzen die producenten in het land van oorsprong betalen, evenals voor gratis emissierechten die Europese producenten binnen het ETS krijgen.

EFTAlanden zijn per definitie uitgesloten van het CBAM vanwege hun deelname of koppeling aan het EU-ETS.

Aanbesteden waarbij de circulaire impact een criterium is.

Wijze waarop de organisatie (meervoudige) waarde toevoegt in de circulaire economie. Circulair bouwen ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier. Hier en daar, nu en later.

Een levering, dienst of werk inkopen waarbij de circulaire impact een criterium is.
Dit kan bijvoorbeeld door:

  • te sturen op circulaire technisch-inhoudelijke aspecten;
  • rekening te houden met een langere levensduur;
  • onderhoud en retourname vast te leggen aan het einde van de levensduur;
  • financiële prikkels in te bouwen om circulair gebruik te borgen.

Technisch risico dat een (deel)object zich ongewenst gedraagt bij toepassing in een nieuwe levenscyclus. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Een object is niet aanpasbaar aan nieuwe functies;
  • Een object voldoet niet meer aan de constructieve eisen;
  • Een object blijkt toxisch te zijn.

Een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd.

Cirkelstad is een landelijk netwerk verdeeld in regio’s van koplopers op het gebied van circulariteit. Het netwerk bestaat uit aannemers, onderhoudspartijen, adviseurs, woningcorporaties en diverse fabrikanten.

Er zijn veel definities van circulariteit en er worden veel termen gebruikt wat vaak ruis oplevert. In dit kader heeft Cirkelstad Het Nieuwe Normaal ontwikkeld. In dit document staan alle verschillende termen gestructureerd omschreven met een stukje achtergrondinfo. Het is geen wetgeving maar de nieuwe leidraad wordt door veel partijen omarmd, ook buiten Cirkelstad.

Cirkelstad werkt samen met platform CB'23 en de Circulaire Bouweconomie om zaken op elkaar af te stemmen. De overheid is bij al deze platformen direct betrokken en haalt hier zaken uit om om te zetten in strengere/nieuwe wetgeving.
IsoBouw is lid van Cirkelstad.

CO2-equivalent betekent dat naast koolstofdioxide (CO2) ook andere broeikasgassen worden meegeteld. Dit zijn lachgas (N2O, distikstofoxide), methaan (CH4) en de fluorhoudende gassen (F-gassen). Om de invloed van de verschillende broeikasgassen te kunnen optellen, worden de uitstootcijfers omgerekend naar CO2-equivalent. De omrekening is gebaseerd op het Global Warming Potential (GWP). Dat is de mate waarin een gas bijdraagt aan het broeikaseffect. In deze rapportage spreken we verder van CO2, waarbij het om CO2 -equivalenten gaat.

Een instrument dat bedrijven en overheden helpt bij het reduceren van de CO2 uitstoot en kosten. Binnen de bedrijfsvoering, in projecten en in de keten. De ladder wordt als CO2-managementsysteem en als aanbestedingsinstrument gebruikt en organisaties moeten zich laten certificeren. De ladder gaat tot 5 niveau’s, waarbij niveau 1 t/m 3 binnen de organisatie en niveau 4 en 5 ook werkt bij de CO2 uitstoot in de keten en sector.

De Construction Products Regulation (CPR) ofwel bouwproductenverordening, stelt geharmoniseerde regels vast voor het op de markt brengen van bouwproducten in de EU. De verordening biedt een gemeenschappelijke technische taal om de prestaties van bouwproducten te beoordelen.

Binnen het raamwerk van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) moet een groot deel van het Europese bedrijfsleven vanaf 2025-2027 rapporteren over duurzaamheidsprestaties op verschillende vlakken. Dit geldt ook voor veel partijen in de bouwsector.

De Declaration of Performance (DoP) is een prestatieverklaring voor bouwproducten en moet worden meegeleverd bij een product dat van eenCE markering is voorzien. Een Declaration of Performance (DOP verklaring) is vanaf 1 juli 2013 verplicht voor leveranciers aan de bouw, zoals fabrikanten, importeurs en distributeurs. Deze verplichting is een gevolg van de van de Europese Verordening Bouwproducten.

Dutch Green Building Council (DGBC) is een landelijk maatschappelijke organisatie die zich inzet om de gebouwde omgeving toekomstbestendig te maken. Hiervoor stelt de DGBC kennis, tools en producten beschikbaar om duurzaamheid concreet en meetbaar te maken. Dit doen ze aan de hand van 4 thema’s: circulariteit, Paris Proof, Klimaatadaptatie en gezondheid.

Het omzetten van secundaire materialen, onderdelen of producten (uit hergebruik of recycling) naar nieuwe materialen, onderdelen of producten met een mindere kwaliteit, verminderde functionaliteit of lagere waarde dan hun oorspronkelijke toepassing (bijvoorbeeld door vervuiling en mixen van materialen).

De Duurzaamheid Prestatie Gebouwen-methode (DPG) toont milieueffecten van energie- en materiaalgebruik in dezelfde eenheid. Zo komt de totale belasting van een gebouw op het milieu tijdens zijn levensduur in beeld.

Earth Overshoot Day is de dag van een bepaald jaar wanneer - vanaf 1 januari geteld - de mensheid net zoveel van de aardse grondstoffen, voedingswaren en dergelijke heeft opgebruikt als wat de aarde in één jaar tijd terug kan opbrengen en geproduceerde afvalstoffen kan verwerken.

Met de ECO Portal biedt ECO Platform een centraal toegangspunt voor gebruikers tot digitale EPD-gegevens. Dit is mogelijk gemaakt door een nauwe samenwerking met het InData-initiatief en op basis van het International Open Database Network (InData).

Het doel is dat het een internationaal aansluitpunt voor LCA-tools of andere digitale en handmatige toepassingen wordt. De gegevens worden verstrekt onder de licentievoorwaarden van de individuele gegevensaanbieders. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en LCA gerelateerde resultaten ligt bij de individuele eigenaar van de aangifte.

In 2012 is de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED) vastgesteld. Deze richtlijn heeft tot doel om in 2020 20% minder energie te verbruiken in Europa. Daartoe bevat de richtlijn verplichtingen voor zowel lidstaten als bedrijven. Voor bedrijven gelden 2 verplichtingen: Artikel 8 gaat over de uitvoering van energie-audits door grote ondernemingen. Artikel 14 betreft een kosten-batenanalyse van de warmtevoorziening bij nieuwbouw en renovatie.

De Energie Investerings Aftrek (EIA) is een fiscale stimuleringsmaatregel voor ondernemers. Deze belastingaftrek kan worden gebruikt voor investeringen in energiebesparende technieken of duurzame energie. Er bestaat een EIA-lijst met maatregelen die onder de deze fiscale aftrekregeling vallen. De EIA is een aftrekpost op de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Dit houdt in dat een bedrijf winst moet maken om van deze belastingaftrek gebruik te kunnen maken.

EN 15804 is de Europese norm voor de op de milieugerichte levenscyclusanalyse (LCA) gebaseerde milieuprestatie van bouwproducten. Deze norm dient als vertrekpunt voor de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

De Energy Performance of Building Directive (EPBD) is ingevoerd door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en is gericht op de energieprestatie van gebouwen. De richtlijn wordt ook wel aangeduid met: richtlijn 2002/91/EC (EPBD, 2003). In het Nederlands wordt de EPBD ook wel de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen genoemd.

Het doel van de invoering van de Europese richtlijn is het bevorderen van de energieprestatie voor gebouwen in de Europese Unie. De energieprestatie omvat hierbij de kosteneffectiviteit, de eisen voor het binnenklimaat van het gebouw en de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw.

EPD staat voor Environmental Product Declaration (milieuproductverklaring). Een EPD is een document waarin informatie te vinden is over de milieu-impact van een bepaald bouwmateriaal over de gehele levenscyclus. Deze informatie wordt op een gestandaardiseerde wijze weergegeven, om het vergelijken van verschillende materialen eenvoudiger te maken.

Het Europese systeem voor emissiehandel (afgekort EU ETS, van het Engelse European Union Emissions Trading System) is het eerste grote systeem voor het verhandelen van uitstootrechten van broeikasgassen in de wereld en is ook de grootste. Het systeem is een ‘cap and trade’ systeem. Een maximumuitstoot van broeikasgassen die kunnen worden uitgestoten wordt bepaald. Dan worden de rechten om uit te stoten geveild (of in sommige gevallen weggegeven). Vervolgens kunnen bedrijven deze rechten verhandelen.

Een Eural code geeft aan hoe gevaarlijk afval is. De codes komen uit de Regeling Europese afvalstoffenlijst (Eural), die geldt sinds 2002. 

Met het Fit for 55 pakket streeft de Europese Commissie naar 55% netto vermindering van uitstoot van broeikasgas (zoals CO2) in 2030 ten opzichte van het niveau van 1990.

Forest Stewardship Council (FSC) is een internationaal keurmerk voor hout met eisen voor duurzaam en sociaal bosbeheer, gesteund door overheden, bedrijven en milieuorganisaties. Het kent 2 niveaus waarbij 100% FSC garandeert dat het hout volledig uit verantwoord beheerde bossen komt. FSC kijkt per land wat het beleid is voor certificatie (PEFC per bos).

GPR Gebouw is een digitaal instrument om de duurzaamheid van bestaande gebouwen, nieuwbouw en grootschalige renovatie van woning- en utiliteitsbouw te meten. Duurzaamheid wordt in GPR Gebouw zichtbaar in 5 thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Per thema verschijnt een waardering op een schaal van 1 tot 10.

Met het rekeninstrument GPR Materiaal (ontwikkeld door stichting W/E adviseurs) maak je voor nieuwbouwwoningen en -kantoren een milieuprestatieberekening van gebouwen (MPG).

Het Global Warming Potential (GWP) is de warmte die wordt geabsorbeerd door een broeikasgas in de atmosfeer, als een veelvoud van de warmte die zou worden geabsorbeerd door dezelfde massa koolstofdioxide (CO2). GWP is 1 voor CO2.

Een internationale norm voor kwaliteitsmanagement en daardoor een maatstaf voor transparantie en betrouwbaarheid in de markt. Het toont aan dat de product en dienst die we leveren voldoen aan de eisen, wensen en specificaties van klanten, wetgeving en andere belanghebbende. Dit wordt getoetst volgens de Plan-Do-Check-Act cyclus en hiermee borgen wij verbetering van kwaliteit.

Een internationale norm voor milieumanagement. Op basis van de PDCA Cyclus borgen wij continu ontwikkeling en uitvoering van een passend milieubeleid. Hieronder valt verbetering zoals bescherming van het milieu, beheersing van de milieurisico’s van de organisatie en minimaal voldoen aan de wettelijke eisen.

Life Cycle Analysis ofwel Levenscyclusanalyse (LCA). Deze staat voor de levenscyclusanalyse van een product, ook wel wieg-tot-graf-analyse genoemd. Het is een methode om de totale milieubelasting van een product te bepalen gedurende de hele levenscyclus, dat wil zeggen: winning van de benodigde grondstoffen, productie, transport, gebruik en afvalverwerking. Een betere LCA betekent een lagere MKI/schaduwkosten/MPG score.

De LCI (Life Cycle Inventory) is een stap van de LCA (Life Cycle Analysis). Bij de LCI wordt de informatie verzameld over de schadelijke stoffen die tijdens de levenscyclus worden uitgestoten en de grondstoffen die gebruikt worden binnen de levenscyclus. Ook andere milieu ingrepen, zoals de productie van geluid of stank, kunnen deel uitmaken van de LCI.

Het Materiaalpaspoort haalt materialen uit de anonimiteit. Hiermee worden de bouwmaterialen gedurende de levensduur van een gebouw geregistreerd op basis van onder andere financiële waarde, levensduur en kwaliteit.

Er is een meetmethodiek ontwikkelt om de losmaakbaarheid van een product te bepalen. De losmaakbaarheidsindex wordt op 4 factoren getoetst zoals  type verbinding, toegankelijkheid van de verbinding, doorkruisingen van het element en vorminsluiting van het element. Het rapport biedt een kennisbasis voor meetmethoden als GPR en BREEAM en is geschikt om binnen woningbouw- en utiliteitsprojecten op alle gebouwniveaus in te zetten. Hoe beter de score hoe beter het product te hergebruiken is.

Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurig afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) zijn fiscale voordelen voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Beide regelingen maken gebruik van de Milieulijst en hierop staan alle bedrijfsmiddelen die hiervoor in aanmerking komen.

De milieukostenindicator (ook wel de MKI) is een single-score indicator uitgedrukt in euro’s. Het voegt alle relevante milieueffecten samen in één enkele score van milieukosten die de milieu schaduw prijs /schaduwkosten van een product of project aantoont.

MPG staat voor de Milieuprestatie Gebouwen en geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het objectieve hulpmiddel wordt ingezet in het ontwerpproces van gebouwen en is tegenwoordig bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geldt zowel voor nieuwbouwwoningen als nieuwe kantoorgebouwen groter dan 100 m2. Als de MPG-normering lager is, dan betekent het dat het materiaalgebruik duurzamer is. De MPG wordt berekend aan de hand van de LCA-berekening, oftewel de Levenscyclusanalyse. 

Stichting Milieu Relevante Product Informatie (MRPI) is een platform voor betrouwbare en onafhankelijk getoetste milieudata voor bouwproducten.

Een Material Safety Data Sheet (MSDS) of veiligheidsinformatieblad is een document waarin de gevaren van een gevaarlijke stof of mengsel en adviezen voor het veilig ermee werken omschreven staan.

De netto-warmtebehoefte of ook ‘warmtevraag’ geeft aan hoeveel energie nodig is om de temperatuur in de woning op het gewenste peil te houden.

De Nationale Milieudatabase (NMD) is de database voor het berekenen van de milieuprestatie en circulariteit van bouwwerken.

Operation Clean Sweep (OCS) is een programma dat voorkomt dat kunststoffen in het milieu vrij komen.

Paris Proof is een term die DGBC heeft geïntroduceerd als gemeenschappelijk verduurzamingsdoel voor gebouwen om de klimaatdoelstellingen van het Klimaatakkoord in Parijs te behalen. De bouw is verantwoordelijk voor 37% van het energieverbruik in Nederland en moet om dit te behalen met ca. 2/3de worden verminderd. Het doel is om de daarbij behorende CO2 emissies terug te brengen.

Een digitaal document dat een object in de B&U- of GWW-sector vastlegt. Het documenteert waar een object uit bestaat (zowel kwalitatief als kwantitatief), hoe het is gebouwd en waar het zich bevindt. Het documenteert het eigenaarschap van het geheel en/of de delen.

Product Category Rules (PCR) zijn een verzameling specifieke regels, vereisten en richtlijnen voor het opstellen van Environmental Product Declarations (EPD) voor een of meer productcategorieën. Ze worden gebruikt ter aanvulling van de programma-instructies, bijvoorbeeld rekenregels, scenario’s en EPD-inhoud. PCR ondersteunen uitvoerders van LCA bij het genereren van consistente resultaten bij de beoordeling van producten van dezelfde productcategorie.

De Product Environmental Footprint, ook wel de PEF-methodologie, is een nieuwe methode voor het meten van de milieuprestaties van elk product gedurende zijn levenscyclus (LCA).

Programme for Endorsement of Forest Certification (PEFC) is een internationaal keurmerk voor hout en papier. PEFC is een wereldwijd onafhankelijk keurmerk ter bevordering van duurzaam beheer van bos en bomen buiten het bos. PEFC werkt vooral met lokale keuringen om te bepalen of een bos kan worden gecertificeerd (FSC landelijk).

Registration, Evaluation, Authorisation, and Restriction of Chemicals (REACH) is een verordening van de Europese Unie en heeft betrekking op de productie en het gebruik van chemische stoffen en hun mogelijke effecten op zowel de menselijke gezondheid als het milieu.

De Renewable Energy Directive (RED) is een richtlijn van de Europese Unie die het gebruik van hernieuwbare energie binnen de Europese Unie verplicht stelt.

Scope 3 betreft de CO2 uitstoot in de gehele levenscyclus van alle producten die het bedrijf koopt, vervaardigt en/of verkoopt. Dat gaat dus bijvoorbeeld om de productie en logistiek van grondstoffen die het bedrijf gebruikt en het energieverbruik van de gebouwen die het bedrijf realiseert.

Total Cost of Ownership (TCO) zijn de kosten en baten over de gehele levens- of gebruiksduur van een (deel)object. 

Het proces om secundaire grondstoffen (uit hergebruik of recycling) om te zetten in nieuwe materialen, componenten of producten van betere kwaliteit, verbeterde functionaliteit en/of hogere waarde.